Bevolking in Ontwikkelingslanden

Absoluut geboortecijfer: het aantal kinderen dat geboren wordt in een jaar.
Relatief geboortecijfer: het aantal kinderen dat geboren wordt per 1000 inwoners in een jaar. Voorbeeld
Een land heeft 16.000.000 inwoners en daar worden 250.000 kinderen geboren, dan is dat 15,625 promille en dat mag je afronden naar 15.6 promille.
1 Promille van 16.000.000 is 16.000.000/1000 en dat is 16.000.
Nu heb je de bevolking in groepjes van 1000 verdeelt (dat zijn er dus 16.000 groepjes van 1000).
Nu ga je die kinderen verdelen over die groepjes.
250.000 kinderen over 16.000 groepjes is dus 250.000/16.000 en dat is 15,625 kinderen per groepje dus 15,625 kinderen per 1000 mensen.

Absoluut sterftecijfer: het aantal sterfgevallen in een jaar.
Relatief sterftecijfer: het aantal sterfgevallen per 1000 inwoners in een jaar. Voorbeeld
Een land heeft 16.000.000 inwoners en daar gaan 200.000 mensen per jaar dood, dan is dat 12,5 promille.
1 Promille van 16.000.000 is 16.000.000/1000 en dat is 16.000.
Nu heb je de bevolking in groepjes van 1000 verdeelt (dat zijn er dus 16.000 groepjes van 1000).
Nu ga je het aantal overleden mensen over die groepjes 'verdelen'.
200.000 overledenen over 16.000 groepjes is dus 200.000/16.000 en dat is 12,5 overledenen per groepje dus 12,5 overledenen per 1000 mensen (=12,5 promille).

Andersom
In een land wonen 16.000.000 mensen. Er is een relatief geboortecijfer van 12 promille en een relatief sterftecijfer van 8 promille.
1 Promille is dan 16.000.000/1000 is 16.000
12 Promille is dan 12 x 1 promille dus 12 x 16.000 = 192.000
8 Promille is dan 8 x 1 promille dus 8 x 16.000 = 128.000

Geboorteoverschot= het geboortecijfer - het sterftecijfer
Dat kan met de relatieve cijfers (zo krijg je een relatief geboorteoverschot) en
dat kan met absolute cijfers (zo krijg jee een absoluut geboorteoverschot).


De bevolkingspiramide geeft aan hoeveel mensen er zijn van een bepaalde leeftijd.
Op de horizontale as staat het aantal personen (mannen of vrouwen) en op de verticale as staan de leeftijdsgroepen (per jaar of per 5 jaar).

 

 

 

 

De granaat wordt gekenmerkt door een gemiddeld geboortecijfer en een laag sterftecijfer, de bevolking blijft gelijk (groeit of daalt niet).
westerse landen

 

De piramide wordt gekenmerkt door een hoog geboortecijfer en een vrij hoog sterftecijfer, maar een snelle bevolkingsgroei. Ontwikkelingslanden

 

 

De urn wordt gekenmerkt door een laag geboortecijfer en een gemiddeld sterftecijfer, dus de bevolking wordt kleiner.

 

 

Links zie je een model voor de bevolkingsgroei. Op de verticale as staan het aantal geborenen en het aantal sterfgevallen per 1000 inwoners. De verticale as geeft de tijd aan.
Dit kan een model zijn voor een ontwikkeld land. Je ziet dat vroeger (dat is aan de linkerkant van de grafiek) het geboorte- en sterftecijfer beide heel hoog lagen en het verschil ertussen, het geboorteoverschot, ook erg groot was (ze liggen ver uit elkaar). Dan daalt het sterftecijfer door betere medische kennis en betere hygiëne.
Niet veel later daalt ook het geboortecijfer, want het is niet meer nodig om veel kinderen te krijgen en er komen voorbehoedsmiddelen.
Dan stabiliseren het sterfte- en geboortecijfer, ze blijven ongeveer gelijk. Je ziet wel vaak dat het geboortecijfer veel dichter bij het sterftecijfer is komen te liggen. Dat betekend dat het geboorte overschot veel kleiner is en de bevolkingsgroei dus niet meer zo hoog is als vroeger.

Soms zie je dat het geboortecijfer zelfs onder het sterftecijfer komt zoals in het kaartje rechts. Het aantal sterfgevallen is dan groter dan het aantal geborenen. Dit noem je een negatief geboorteoverschot, de bevolking wordt dus steeds kleiner.

 

 

 

 

In ontwikkelingslanden ziet het model voor bevolkingsgroei er heel anders uit. Ook hier zijn het geboortecijfer en sterftecijfer in het begin erg hoog. Dan daalt het sterftecijfer net als bij ons.Soms komt dat ook door hulp van andere landen, denk aan voedselhulp en medische zorg.
In ontwikkelingslanden duurde het veel langer voordat het geboortecijfer ook gaat dalen. En als die dan begint te dalen gaat dat niet zo snel als in ontwikkelde landen.
Dan stabiliseren het geboorte- en het sterftecijfer allebei, maar hier zie je dat het geboortecijfer nog veel hoger ligt dan het sterftecijfer. Er is dus een heel groot geboorteoverschot en dus een snelle bevolkingsgroei.